Verantwoordelijk voor de kerk en relaties
Boven Romeinen 12 staat in mijn Bijbel met uitleg: ‘Paulus geeft praktisch onderwijs voor het dagelijks leven. Hij wijst op de verantwoordelijkheid van een christen voor de kerk en het goedhouden van de onderlinge relaties.’ (Romeinen 12 verzen 1-21)
‘Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon.’ (vers 10)
In Romeinen 12 komen twee dingen duidelijk naar voren. Het eerste is de toewijding aan God, het tweede de hartelijke liefde voor elkaar in de gemeente van Christus. Twee dingen die misschien niet vanzelfsprekend zijn in onze cultuur. Onze tijd wordt immers vaak gekenmerkt door de gedachte dat de kerk iets voor onszelf moet opleveren, of dat de kerk en de zondagse eredienst vooral betekenis voor míj moeten hebben.
Daarom is het goed om vers 2 hierbij te betrekken, waarin we worden opgeroepen ons niet te laten vormen door het denken van de wereld om ons heen. Juist in de kerk mogen we ontdekken wat de wil van God is voor het leven van de gemeente. Dat gebeurt niet vanzelf; daarvoor is vernieuwing nodig. Die vernieuwing is een genadegave van God – iets wat we ontvangen.
In de verzen 6 tot en met 8 lezen we vervolgens dat deze ontvangen genadegaven weer gedeeld mogen worden in de gemeente. Het is als het ware een cirkel: Christus deelt Zijn gaven uit aan de leden van de gemeente, en wij ontvangen die gaven ook via onze broeders en zusters.
Tegelijk hoeven we ons daarvoor niet op de borst te slaan. Iedereen wordt ingezet op de manier zoals God het heeft bedoeld. Daar past bescheidenheid bij (vers 3 en 16).
Vanaf vers 9 wordt dit concreet in de onderlinge liefde. Een liefde die oprecht is en niet voortkomt uit plicht, maar ook een liefde die inzet vraagt: doorzettingsvermogen, gebed, geduld en volharding. De houding mag dienend zijn, waarbij we de ander hoger achten dan onszelf. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Paulus spoort ons aan om niet lui of laks te worden in onze liefde voor elkaar, maar met volle inzet en met de blijdschap van het geloof ons werk van harte te doen - niet met tegenzin.
Dat roept vragen op. Hoe sta ik in de gemeente? Ben ik vurig van geest, of neem ik het gemak ervan? Hoe gastvrij ben ik eigenlijk? Gebruik ik de gaven die ik heb gekregen ten dienste van anderen? Is mijn liefde voor de gemeente oprecht?
Deze vragen raken ook onze betrokkenheid. Ga ik alleen naar activiteiten in de gemeente als ik er zelf iets uit kan halen, of kom ik ook om te delen? En met welke houding bezoeken we de erediensten op zondag? Gaat het om de ontmoeting met God - wat een genade, elke week opnieuw - en om de ontmoeting met en bemoediging van de gemeente, of vooral om wat het voor mij betekent? Laten we eerlijk zijn: het valt niet altijd mee om onszelf weg te cijferen en de Heere en de gemeente voorop te zetten. Natuurlijk moeten we ook goed voor onszelf zorgen, maar laten we ons daar niet te snel achter verschuilen.
Tot slot laat Romeinen 12 zien dat dit alles ook zijn uitwerking heeft naar buiten de gemeente. Het beeld van de vurige kolen in vers 20 is daarin veelzeggend.
Uiteindelijk wordt in vers 21 gesproken over overwinning. Die overwinning staat vast, omdat zij ons uit genade is gegeven door God. Die genade ontvangen we juist in de gemeente, waar we God ontmoeten en waar Hij Zijn gaven uitdeelt door het werk van de leden van de gemeente. Werk dat we van harte mogen doen.
Jeugdouderling Harold Prins

